Posts tonen met het label geschiedenislijn. Alle posts tonen
Posts tonen met het label geschiedenislijn. Alle posts tonen

woensdag 29 november 2017

DE LEERPLICHTAMBTENAAR

Terwijl ik mijn kopje koffie pak, gaat de telefoon. 'Pioenroos, met Alida' zeg ik terwijl ik de hoorn aan mijn oor zet. Het is een leerplichtambtenaar.

'Klopt het dat Jeroen onlangs bij jullie is komen wonen?' vraagt ze vriendelijk. 'Nou onlangs, hij woont hier al een tijdje.' antwoord ik. 'Hoe oud was Jeroen toen hij bij jullie kwam wonen?' vraagt ze verder. 'Wie wil dit eigenlijk weten?' vraag ik verbaast.

'Ik ben leerplichtambtenaar en doe onderzoek naar Jeroen' geeft ze weer. 'Oké, en waarom wilt u dat dan weten?' Ik ben niet van plan om meteen maar alles in de openbaarheid te brengen, als ik niet weet wat de bedoeling is. 'Volgens mijn papieren is Jeroen bij jullie komen wonen toen hij 16 was.' vervolg ze verder vriendelijk.

'Dat klopt inderdaad.' zeg ik. 'U weet toch dat Jeroen leerplichtig is?' vraagt ze betuttelend. 'Ik neem aan dat u weet waar hij nu woont, een zorgwoning.' zeg ik rap. Ik laat me niet het kaas van mijn brood eten.

'U weet toch dat hij nu op school hoort te zitten?' zegt ze. Ik denk na. Wat voor antwoord kan ik hier op geven. Een jongen, met naast zijn verstandelijke beperking, veel gedragsproblematiek heeft, autistisch is en met gevaarlijke epilepsie. Ik zie zo de schoolbankjes door de klas vliegen, omdat hij niet de aandacht krijgt die hij nodig heeft. Ik zie knokpartijen, omdat alle kinderen gefrustreerd raken, omdat ze niet bij machte zijn hem in zijn ritme te houden. Ik kan nog zoveel dingen bedenken waarom hij niet naar school kan, maar daar heeft deze leerplichtambtenaar geen flauw benul van.
Hoe leg ik haar dat kort en bondig uit?

'Bent u er nog?, hoor ik aan de andere kant van de lijn......

'Weet u wat? antwoord ik. Zal ik hem een dagje bij u komen brengen? Dan kunt u het zelf beoordelen. Ik raad u wel aan om kostbare bezittingen even weg te leggen en het is ook wel handig als u 112 alvast in uw telefoon zet, om snel te kunnen bellen. O ja, het is maar even dat u het weet, maar ik kan uw veiligheid niet garanderen. Misschien is het handig als u ervoor zorgt dat er een tweede persoon in de buurt is. Wij hebben ook altijd twee begeleiders op de groep.' ik stop mijn betoog en wacht even af....

Er valt een stilte.................

'Nou.' zegt de vrouw, 'Ik denk dat ik voor nu even genoeg weet. Ik kom hierop terug.'
Dat is nu zeven jaar geleden. Ik heb niets meer van haar gehoord.

zondag 19 november 2017

IN ROOK OPGEGAAN

'Ik kan maar niet slapen, ik heb steeds nachtmerries' Jos kijkt me hopeloos aan. Het is niet de eerste keer dat hij dit zegt. Zijn wereld is veranderd. Hij woont sinds kort bij ons in de zorgwoning. 2010 zal een gedenkwaardig jaar worden. De stap van zelfstandig wonen naar begeleid wonen is heel groot.

'Ik ben zo moe.' gaat Jos verder. Dat kan je ook aan hem zien. Donkere wallen onder de ogen. Ogen die verdrietig staan. Hangende schouders van lusteloosheid. Terwijl je eigenlijk zou verwachten dat het er nu beter op zou worden.

Ondanks dat ik weet waarom hij niet kan slapen stel ik hem toch weer dezelfde vraag als anders. Het is namelijk heel belangrijk dat ze leren praten. Al pratende kan je vaak het leven wat makkelijker maken. 'Waar gaan die dromen dan over?'

'Vannacht heeft oma weer op de rand van mijn bed gezeten. Want oma waakt over mij in de hemel. Alleen komt ze steeds in de nacht.' Jos zucht 'Waarom kan ze gewoon niet overdag komen, dan ben ik toch al wakker?' Hij zucht nog een keer.

Het is een terugkerend verhaal. Het lijkt erop dat hij de dood van zijn oma maar moeilijk kan verwerken. Hij was het lievelingetje van oma. Kreeg altijd de meeste snoepjes.

'Ik wil zo graag aan haar vertellen dat ik nu gelukkig ben. Dat jullie goed voor mij zorgen, en dat oma zich dus geen zorgen meer hoeft te maken over mij.' Je ziet de worsteling van Jos.

Ook bijzondere mensen hebben rouw. Zijn verdrietig en huilen ook. Ook zij moeten er mee leren leven. Ik merk dat bij hen het rouwproces precies zo verloopt als bij ons.

Eerst was er het ongeloof, oma kan niet dood zijn. Want dat is onmogelijk. Oma zou toch altijd voor ons blijven zorgen? Dan komt de boosheid. Want nu kan oma niet meer voor ons zorgen.

De fase waar Jos in blijft hangen is de depressie. Hij is nog niet toe aan de aanvaarding. Hij is verdrietig omdat hij oma niets kan vertellen over hoe het nu met hem gaat. Ik probeer hem hierin te ondersteunen. Ik merk bij hem de sterke wens dat oma moet weten hoe het nu met hem gaat.

Ik stel daarom het volgende voor, Jos gaat een mooie tekening maken van de samenstelling van het gezin op dit moment en de woning waarin ze nu wonen. Jos gaat onmiddellijk beginnen. Tekenen is voor hem een manier om de ander iets te vertellen, wat hij met woorden niet goed kan.

Als de tekening af is stel ik hem voor om een brief te schrijven aan oma. 'Maar dat kan ik niet.' zegt Jos. 'Ja wel, want het maakt niet uit hoe je iets schrijft, oma zal je altijd begrijpen.' Dit antwoord is voor hem voldoende om aan de slag te gaan met het schrijven van een brief. Hij schrijft hoe blij hij is en dat er goed voor hem wordt gezorgd. Hij geeft aan dat hij oma mist en af en toe nog moet huilen. Hij wenst dat oma nu rust krijgt en dat de nachtmerries stoppen.

Met de brief en de tekening gaan we naar het kerkhof. We zoeken het graf van oma. Als we er zijn open ik mijn tas. Ik heb een blik mee gebracht, met wat spiritus en lucifers. Ik doe de spiritus in het blik. We rollen de papieren op en stoppen ze ook in het blik. Jos mag van mij een lucifer aansteken en er ontstaat een vuurtje in het blik.

Heel langzaam zie je een zwarte rook van de verbranding. De rook stijgt op naar de hemel.
'Kijk...' zeg ik. Nu zie je de brief en tekening omhoog gaan naar de hemel. En daar staat oma te wachten tot ze de brief kan lezen en jou mooie tekening kan zien.

Jos kijkt de rookwolk na, statig gaat de wolk naar de hemel..........................................

Jos is in de laatste fase gekomen en kan accepteren dat oma daar boven is.




dinsdag 24 oktober 2017

DE BOSGROEP KOMT KOFFIE DRINKEN.

Ik kijk vanuit mijn raam zo op het natuurgebied de Maasduinen. Vrachtwagens rijden af en aan. Nog meer werk en kant en klare orders komen voorbij. Ik zie een busje stoppen voor de dagbesteding. Het is de bosgroep, vanuit een nabij gelegen instelling.

Geregeld komen ze langs. Wij hebben door ons werk veel afvalstukken van plaatmateriaal. Het meeste gaat de container in en wordt afgevoerd naar de stort. Soms komen er mensen langs die wat restafval willen hebben, voor verschillende doeleinden. Er komen mensen die vogelhuisjes willen maken voor een jaarmarkt, er zijn mensen die het als stookhout gebruiken voor het kweken van orchideeën en zo komt ook de bosgroep om restafval te halen.

Meestal zitten er twee begeleiders in de bus met een aantal zorgvragers. Samen lopen ze naar de container en halen ze steeds één stuk eruit en brengen die dan naar  de aanhanger, alwaar het netjes wordt opgestapeld. Maar vandaag zijn ze zonder aanhanger. Een jongen stapt uit. Het is Karel.
Karel komt altijd even bij mij op kantoor. Terwijl zijn vrienden het hout laden maakt hij een praatje met mij. Hele verhalen houdt hij, over waar hij woont en zijn zus en familie. In de loop der tijd ken ik een beetje hoe het hem toegaat. Dat geeft inmiddels voor hem een veilig gevoel, want hij blijft steeds langer zitten.

Er wordt op mijn deur geklopt en ik geef aan dat Karel binnen mag komen.
'Weet je wat voor dag het vandaag is?' vraagt hij vrolijk.
'Volgens mij is het woensdag vandaag.'
'Ja deuheu dat weet ik ook wel, maar ik bedoel iets anders' Hij klopt op zijn voorhoofd met het teken dat hij niet gek is.
'Nou, dan weet ik het niet, ik geef het op.' zeg ik.

'Ik ben vandaag jarig....' Hij loopt op mij af, zodat ik hem kan feliciteren.
'Dat is geweldig mooi, van harte gefeliciteerd Karel' en ik geef hem een hand.
'En nou kom ik met jou koffie drinken.' Hij zet zichzelf op één van mijn bezoekersstoelen en kijkt me afwachtend aan.
'Dan zal ik maar even koffie voor je gaan halen.' Ik loop naar de kantine en kom terug met twee bakjes koffie.

Ik merk op, dat als ik uit het raam kijk, dat iedereen in het busje zit en nog geen hout aan het halen zijn. 'Ze zijn nog niet aan het laden.' zeg ik tegen Karel, terwijl ik zijn koffie voor hem zit.
'Nee dat klopt, want we hebben geen hout nodig vandaag.'

Ik ben verbaast en trek mijn wenkbrauwen op. Hij ziet dat en zegt meteen 'We zijn hier omdat ik jarig ben.'  'Omdat je jarig bent?' herhaal ik en kijk nogmaals naar buiten. Ik tel twee begeleiders en nog vier jongens. 'Maar waarom zijn zij dan allemaal meegekomen?'vraag ik.

'Als je jarig bent mag je een wens doen en die gaan ze voor jou organiseren, en mijn wens was dat ik bij jou op de koffie mocht.' antwoord hij trots.
Ik voel me vereerd. Er zit dus buiten een groep mensen, met de handen over elkaar en met de neuzen op het raam, die geduldig wachten op hem tot hij klaar is met koffiedrinken.

Ik breng hem nadat zijn kopje leeg is weer naar het busje. Eén van de groepsleiders knipoogt naar mij en zegt: 'We konden hem niet op andere gedachten krijgen en hij bleef maar doorgaan. Dus zijn we maar naar jullie gereden en heeft hij zijn kopje koffie gehad. Karel zit te glunderen en is gelukkig. Wat wil je nog meer wensen, het kan zo simpel zijn. Ik waardeer de groepsleiders enorm, die toch met een moeilijke groep, moeten wachten in een busje tot Karel zijn koffie heeft opgedronken.
Karel zijn dag kon niet meer stuk.


zondag 25 juni 2017

DE TENNISBAL

Het is broeierig weer. De tuin heeft dringend water nodig. Op deze laatste dag van juli, in 2007, loop ik door de tuin. Het is rustig. De buren zijn nog met vakantie, dus even geen spelende kinderen op straat. Ik hoop op een bui, zodat de planten water krijgen. Maar het zit er niet in. Al weken niet. Het weerjournaal wordt saai. Hier en daar pluk ik wat onkruid weg. Gooi het in de emmer die naast me op de grond staat. Misschien wordt dit wel de heetste en droogste zomer ooit.

Ik pak de tuinslang en draai de kraan open. Ik richt de straal op de perken, die rondom het huis liggen in geometrische vormen. Steeds een paar minuten op de zelfde perk en dan de volgende. Terwijl ik naar de straal zit te kijken die mooie druppels maakt op de groene bladeren van de plant, zie ik iets geels.

Ik ga in de perk staan, want ik wil zien wat dat is. Ik raap het op en heb een tennisbal in de hand. De eerste reactie is dat het wel van de kinderen hierlangs zal zijn. Maar al gauw kom ik tot een andere conclusie. De bal is open gesneden en staat bol van de inhoud, wat met een stukje tape afgeplakt moest worden. De tape zit nog maar aan een puntje vast aan de bal. Ik ben nieuwsgierig en peuter de inhoud los. Het is een zakdoekje, maar daaronder zitten allemaal afgebroken stukjes lucifer. Allemaal rode punten. De zakdoek is deels zwart. Het ziet er naar uit dat de zakdoek in brand heeft gestaan.

Ik stap uit de perk en bedenk me dat dit geen grapje is. Ik sta namelijk voor ons huis en als ik naar boven kijk zie ik onze slaapkamerramen, die half openstaan. Ik bedenkt me dat dit een poging was om de bal brandend bij ons in de slaapkamer te gooien. Dat het niet gelukt is komt omdat we achter de raamopeningen een horrengaas hebben geplaatst, wat aan de buitenkant niet te zien is. Dus als de bal al in de opening gegooid zou zijn, dan is de bal terug geketst op het gaas. Wat een geluk.

Ik neem de bal mee naar binnen. Er is dus iemand die een poging heeft gewaagd. Wie zou dat kunnen zijn? Al pratende komen we tot de conclusie, dat de kans groot is dat het door een of meerdere van de zorgvragers is gedaan. Alle materialen die we in handen hebben, zijn in hun woonhuis aanwezig. We zijn de begeleiding voor hen opgestart, en voor hen zijn dat spannende tijden. Ze weten heel goed dat er nu naar een oplossing gezocht wordt dat ze begeleid kunnen gaan wonen. Omdat we hun wereld aan het veranderen zijn, ontstaat er een angst. Logisch, want we weten niet hoe het gaat verlopen. Maar we moeten uitkijken om zomaar iemand te beschuldigen.

We besluiten om de bal langs onze tv, in het zicht te zetten. Elke dag komt er één van de zorgvragers, om te oefenen en te wennen aan het nieuwe leven binnen een wooninitiatief. We hebben vijf zorgvragers en omdat elke dag een andere komt, willen we zien of ze reageren op de bal. Want we hopen dat de maker misschien wel gaat reageren. Elke dag wachten we af. Maar zelfs na een paar weken komt er geen enkele reactie. Ze vragen niet eens wat het is, terwijl ze dat bij andere voorwerpen wel doen. De bal wordt doodgezwegen. Wij kunnen er niets mee en op een gegeven moment hebben we de bal weggegooid. Wetende dat één van hen gezwegen heeft.

Zeven jaar later zitten we gezamenlijk met z'n allen in de tuin van de zorgwoning. Het is lekker zomers en de zorgvragers genieten van hun welverdiende vakantie. Na het avondeten gaan we altijd gezellig even buiten koffie drinken. Iedereen is goed gehumeurd. Grapjes vliegen over en weer. Ze hebben waterballonnen gekocht en zijn nu naar elkaar aan het gooien. De meesten zijn al kletsnat. Plotseling zegt er een : "Het zou leuk zijn als we echte bommetjes hadden."
De zorgvrager die altijd in is voor spannende dingen vraagt hoe je dat moet maken.
"Kijk." zegt de jongen " Je neemt een tennisbal en snijdt daar een gleuf in. Dan vul je de bal met de kopjes van de lucifers, een zakdoekje erbij als lont en dan plak je de gleuf weer dicht met tape. Zo makkelijk is dat." Hij heeft zelfs een kleur op zijn wangen van spanning.

Nico en ik kijken elkaar aan. Nu weten we hoe het zit. Inmiddels zijn ze allemaal blij met het plekje in de woning. We hopen dus maar dat het idee niet nog eens wordt uitgevoerd. Heel duidelijk hebben we aangegeven dat waterballonnen leuk zijn, maar dat we geen bommen gaan maken van tennisballen.

zondag 18 juni 2017

EEN LEERMOMENT SCHEREN

Ik ben al een paar keer de trap op gelopen. Recht tegenover de trap is de badkamer. Het schild van de badkamerdeur staat op rood. Er zit dus iemand in de badkamer. Dat kan je ook horen want je hoort het scheerapparaat geluid maken. Wat is hij toch aan het doen? Een zorgvrager amper 20 met nauwelijks baardgroei. Scheren is meestal een kwestie van tien minuten.

Het duurt wel erg lang. Op mijn verzoek om de deur van het slot te halen reageert hij niet. Ik geef aan dat ik een schroevendraaier ga halen om de deur open te krijgen. Weer geen reactie. Ik loop naar kantoor en haal een schroevendraaier. De trap op en ik ontgrendel de deur met behulp van het gereedschap.

Verschrikt staar ik hem aan. Hij reageert geschokt, weet dat wat ik zie niet goed gevonden wordt.
Hij heeft van nature een hele blanke huid. Vaak erg witjes, alsof de huid doorschijnend is. Door zijn zwarte haren is het waarnemingseffect nog groter. Zijn gezicht is ingevallen en het lijkt alsof hij weinig eten krijgt. Maar nu heeft hij zijn hoofd voor de helft kaal geschoren. Van oor tot oor heeft hij banen geschoren en zie je alleen nog maar zwarte stipjes. De achterkant is nog voorzien van haar.

Het is een afschuwelijk gezicht. Hij ziet me schrikken. Roept steeds: "sorry." Maar je kunt het er niet meer aanplakken. De enige mogelijkheid is nu alles er maar af halen. Hij loopt gedwee achter me aan naar de keuken. Ik zet hem op een stoel en maakt de scheerbeurt maar af.

Als hij in de spiegel kijkt heeft hij heel veel spijt. Hij pakt een muts en zet die op. Dat zal nog wel enkele dagen duren voor die muts weer afgaat. Dit gaat hij nooit meer doen. Verslagen loopt hij rond.
Soms kunnen ze de gevolgen van hun handelen niet inschatten. Hopelijk was dit voor hem een leermomentje.

woensdag 7 juni 2017

GRAPJE MOET KUNNEN


Ze zit te giechelen, al een tijdje. De pretogen verraden haar, dat ze iets in petto heeft. Er is iemand jarig en we vieren feest. Dan is iedereen vrolijk en blij. Een feestje hoort daarbij.


Sommigen hebben weet van haar plannen en die knipogen af en toe naar haar. Ze kan het gewoon niet afwachten. Ik weet het ook, maar heb beloofd niets te zeggen. Ik gun haar dit moment. Ze wil een grapje uithalen en heeft er al dagen over na lopen denken. Om er zeker van te zijn dat ik niet boos wordt, heeft ze me in vertrouwen genomen. Dat is voor haar een veilig idee, want boos zijn is nooit leuk en al helemaal niet op een feestje.

Normaal blijft ze vooral zitten, aan de tafel en laat zich bedienen. De koffie en taart wordt voor haar neus gezet. Maar vandaag is ze actief. Ze helpt de begeleiding mee. Schenkt koffie in voor de gasten, pakt nieuwe suikerklontjes, deelt de taart uit die op een schoteltje zijn geserveerd. Ze is er maar druk mee. Alleen dat al verraad dat ze iets wil gaan doen. Degene die ze voor ogen heeft, ziet niets. Daar kan je met een paars kapsel bij gaan zitten en dan ziet hij het niet eens. Dus zover loopt het plan goed, want hij heeft het niet in de gaten.

Na de taart en koffie komen altijd de hapjes. Beetje chips, worst, kaas, tomaatjes en komkommerschijfjes worden in schaaltjes verdeeld. Ze is super actief en maakt voor Nico een speciaal stokje met hapjes. Ze trilt van de spanning, maar Nico ziet niets. Allemaal kijken we gespannen naar hem terwijl hij de eerste hap neemt. Degene die het weten trekken een vies gezicht. Nico kijkt verbaast om zich heen. Er is iets, maar hij heeft het niet door.

Zij giert het uit. "Grapje" roept ze hard. Nico begint iets in de gaten te krijgen. Het moet met dat stokje te maken hebben. Blacky, het hondje zit bij hem op schoot en zou het liefst de hap overnemen en opeten. "Ha,ha, Je zit hondenvlees te eten." Brult ze en de tranen lopen over haar wangen.

Nico heeft het grapje door en speelt mee. Haar avond kan niet meer kapot. Ze blijft giechelen alsof ze een pubertje is.

woensdag 17 mei 2017

HET NACHTLEVEN

Buiten is de hemel zwart gekleurd. Hier en daar zie je witte sterren. De maan schijnt volop en verlicht de straat. De lantarenpaal licht het nachtleven bij. Onze straat is rustig. Er staan maar vier huizen, aan beide kanten twee. Tegenover ons huis woont de overbuurman. Wij zijn de enigen met een overbuurman.  Aan beide kanten, van de straat, is een braakliggend stuk grond waar nog een woning gebouwd kan worden.

Onze voortuin hebben we veranderd met bestrating. Aan de ene kant staat een mooi dolfijnenbeeld, midden op de stoep, om te voorkomen dat er een auto wordt geparkeerd. Want dan zit je in de woonkamer tegen een auto aan te kijken. Op het andere stuk staat een boom, en op de hoek onze brievenbus.

De nacht is stil. Iedereen ligt in bed. Soms hoor je het geluid van een vallende mobiel. Daar is er dan één in slaapgevallen met de telefoon in zijn hand. Op het nachtkastje van de slaapdienst staan twee camera's. Zolang er niet bewogen wordt, staan de schermen op zwart. Het geluid staat aan, zodat je alles meekrijgt als er iets zou gebeuren. Zodra er beweging komt, dan licht het scherm op en kan je meekijken. Het is noodzakelijk in verband met epilepsieproblemen en achteruitgaande bewoner.
Wij hebben slaapdiensten. Je slaapt, maar kan indien er hulp nodig is een helpende hand zijn in de nacht. De meeste nachten verlopen voorspoedig. Er gebeurt weinig en meestal kan je doorslapen tot de volgende ochtend.

Verderop ligt een kroeg. Daar valt kennelijk veel te beleven, want je kan ze regelmatig horen. Zelfs als je binnen bent en je ligt al in bed. Langs de kroeg liggen de voetbalvelden. Vanuit de kantine komt ook vaak lawaai. Op zich zijn het geluiden die horen in een omgeving van een gemiddelde doorsnee woonwijk.

De momenten waarop de sportmannen of kroeglopers naar huis willen, dat zijn de momenten waarop er overlast kan komen. Onze straat is geen doorloopweg, maar toch komen ze vaak langs ons huis. Met veel geschreeuw, gooiend met lege blikjes die ook als voetbal wordt gebruikt. Heel vaak proberen ze of onze brievenbus ook om kan vallen.  Maar die staat stevig in de grond, met een betonblok. Toch worden deze momenten als bedreigend ervaren door onze bijzondere mensen.

Doordat de nacht stil is komt elk geluid veel harder binnen. Het vervelende is als er één wakker wordt. De veiligheid komt in geding en ze liggen vaak wakker onder de dekens hopende dat ze snel voorbij lopen. Eén van de jongens heeft er iets op bedacht. Het is onze politiekenner en die heeft voor een verjaardag ooit een politielamp gekregen. Een soort lantaarn van twintig centimeter hoog met batterijen. Als je de lamp aandoet dan kan je het op constant aan zetten of op de zwaailicht stand. Bij de laatste gaat er een blauw licht rondom zwaaien.

In het donker valt dit erg op. Dus als er weer een groep blijft hangen in de buurt en hij wordt er wakker van dan pakt hij zijn lantaarn, schuift het gordijn opzij en zet de zwaailichten aan. In het donker valt dit erg op. Het werkt altijd, want zodra het blauwe licht de straat vult, weten de sportmannen en kroeglopers niet hoe snel ze weg moeten lopen.

zondag 14 mei 2017

IN DE BOOM BIJ DE GGZ

We zitten in een nauwe gang. Bij de GGZ. Onze zorgvrager moet worden getest. Testen is nog niet zo eenvoudig. Daar denken ze bij de GGZ iets gemakkelijker over. Wij hadden gevraagd of de testen bij ons konden plaatsvinden. Maar dat was niet de gewoonte, en we moesten maar normaal meewerken.

Oké dan, dat houdt in dat we met twee begeleiders hem gaan begeleiden. Want dit kan moeilijk worden. In een vreemde ruimte getest moeten worden, dat is heel spannend. Nadeel is dan ook dat hij minder ontspannen is en daardoor heel traag wordt. Maar ja wij zijn geen wetenschappers.

We hadden ook aangegeven dat het belangrijk was dat we in een aparte ruimte zouden zitten, waar zomin mogelijk prikkels zouden zijn. Dat zou de meeste kans van slagen geven. Na een tijdje te hebben gewacht, verzoekt een dame ons of we in de wachtkamer willen gaan zitten.

In eerste instantie zijn we daar alleen, maar na een tijdje komen er mensen bij zitten. Ze praten over hun problemen en onze zorgvrager krijgt dat allemaal mee. Je ziet hem met de minuut onrustiger worden. Na een half uur worden de anderen verzocht om de ruimte te verlaten, want hier vindt het onderzoek plaats.

Hij is zeer onrustig geworden van de andere wachters en hij vraagt aan de man of hij nu zeker weet dat er niemand meer binnen komt. Want hij vindt dit niet fijn. "Er komt echt niemand meer binnen." zegt de man. Maar omdat dit eigenlijk de wachtkamer is komen er steeds mensen binnen om te willen wachten, ook al hangt er een bordje aan de deur van niet storen. Het stoort dus enorm.

Nauwlettend houden we onze zorgvrager in de gaten. Ze beginnen met de testen. De man stelt vragen en hij mag antwoorden. De man heeft een schrijfblok en schrijft mee terwijl onze zorgvrager praat. Hij probeert mee te kijken wat de man opschrijft. De man merkt dat en begint een hand te houden voor hetgeen hij opschrijft. Onze zorgvrager mag het kennelijk niet zien. Dat is vervelend, want je ziet daardoor dat hij nog onzekerder wordt. Waarom mag hij niet meekijken? Heeft hij iets te verbergen? Dat zijn dingen die door zijn hoofd gaan en je ziet de concentratie afnemen.

Bij de volgende test moet hij dingen omcirkelen. Ook hier begint de man dingen op te schrijven. Inmiddels heeft hij zijn blok zo neer gelegd, dat hij een velletje omhoog houdt zodat niemand kan zien wat hij opschrijft.

Onze zorgvrager wordt trager en lichtelijk geïrriteerd. De onderzoeker begint het ook te merken en je ziet hem twijfelen. Van het twijfelen raakt hij nog meer van slag. Het verloopt dus niet vlekkeloos. Weer komen er mensen binnen en de onderzoeker zet een stoel onder de deurkruk. Lijkt handig, want er kan niemand meer in. Maar onze zorgvrager denkt daar anders over. Er kan ook niemand meer zomaar naar buiten. Weg veiligheid. Opsluiting is een trauma voor hem. De onderzoeker ziet dit allemaal niet.

De angst zorgt ervoor dat hij nog trager wordt. We zijn al twee uur bezig en nog niet op de helft. Gepland was anderhalf uur voor de gehele onderzoek. Maar dit kan wel een dag worden.
Je hoort aan de stem van de man dat hij zijn geduld verliest. Hij zit steeds op zijn horloge te kijken. Schijnbaar lopen we achter en zitten er meer mensen te wachten.

De volgende test moet binnen verschillende tijden gedaan worden. De man pakt een stopwatch en iedere keer als hij ja zegt, dan mag de jongen met de test beginnen en als hij stop roept dan moet de jongen stoppen. Maar, hij houdt de stopwatch onder de tafel. Weer zo geheimzinnig. De jongen begint te zuchten, te grommen en met zijn hoofd te slaan. Dit gaat niet goed aflopen.

Ik stel voor dat we even een pauze inlassen. De man stemt hiermee in omdat hij ook dingen moet gaan regelen in verband met de uitloop. Met z'n drieen lopen we de trap af naar beneden. Onophoudelijk begint hij te grommen. Hij schopt tegen een schilderij aan die in de gang hangt. Als we hem daar wegtrekken begint hij met zijn hoofd tegen de muur te bonken. Met hem tussen ons in, zodat hij niets en niemand kan raken, begeleiden we hem naar buiten.

Daar laten we hem even los en hij neemt van die gelegenheid gebruikt door het op een lopen te zetten. Bomen genoeg in de omgeving. Je ziet hem kijken welke boom hij zal nemen. Vluchten om uit deze situatie te komen. We zetten de achtervolging in. Hij heeft een boom gekozen. Nog net kunnen we hem bij de benen grijpen en trekken hem naar beneden. Daar wordt hij vastgehouden, om hem tegen zichzelf te beschermen. Ik geef aan dat we naar huis gaan en dat ik binnen ga meedelen dat dit niet gaat werken.

Als ik weer boven ben zie ik aan de houding van de man dat hij ten einde raad is. Hij had al iemand ter versterking mee genomen. Ik geeft aan dat het hier stopt. Dit zijn ze niet gewend. Maar dit hadden we al voorspelt. "En wat nu?" vraagt de man. Hij weet het niet meer.

Ik geef aan dat we niet voor niets hadden gevraagd of het niet bij ons kon plaatsvinden. Hij zag in dat dat de enigste kans van slagen zou zijn. Dus we maken een nieuwe afspraak, maar dan bij ons en verdeeld over 6 weken van twee uur onderzoek per week.

geen handen voor een blaadje.
geen geheimzinnig gedoe met een velletje ervoor houden dat hij niet kan meekijken.
geen stopwatch.
geen afleiding van andere mensen.
geen deuren die op slot gaan, zodat hij niet naar buiten kan.
geen irritatie in de stem.

Maar in zijn vertrouwde wereld met het nemen van alle tijd. Dan heeft het kans van slagen. Het is nu eenmaal geen doorsnee jongen.

woensdag 10 mei 2017

DE KENNEL

Terwijl ik sta te praten met één van onze zorgvragers, zie ik aan zijn gezicht dat de boodschap verkeerd binnenkomt. Zijn ogen staan vragend, zijn mond zakt naar beneden, zijn schouders gaan hangen en zijn gezicht kleurt rood. Voordat ik uitgepraat ben is het helemaal mis.

Hij draait zich om en loopt uit de situatie en smijt de deur achter zich dicht. Terwijl ik nadenk over wat ik heb gezegd, komt de volgende binnen. Iets te hard roept hij; "Wat heb jij gezegd?"
Je ziet aan hem dat hij wil begrijpen waarom zijn broer zo doet.

Dit is niet de eerste keer. In de loop der tijd heb ik geleerd om er niet meteen achteraan te gaan. De boodschap moet landen. Ook als het verkeerd binnen komt. In onze signaleringsschema kan je vaststellen dat zijn pannetje helemaal vol zit. Door alle gesprekken die we al hebben gevoerd hebben we afgesproken dat als het pannetje vol zit, ga je even uit de situatie.
Het is een vorm van vluchtgedrag, omdat hij even de wereld niet aankan. Maar het is inmiddels een gecontroleerd vluchtgedrag. Om te voorkomen dat zijn pannetje gaat overlopen.

Op zulke momenten vlucht hij naar een plek die voor hem op dat moment veilig is. Dat is een mooie plek. We hebben namelijk een kennel. Door omstandigheden hadden we een puppy herdershond voor een bepaalde periode. Een mooie gelegenheid om uit te proberen of een hond in een zorgwoning een plekje kan hebben. Voor de hond hadden we bij de dagbesteding een kennel aangeschaft. Vaak zat de hond daar overdag, als het in de fabriek te druk was.

Onze zorgvrager ging dan bij hem in het hok zitten. Daar kreeg hij aandacht van de hond en kon hij zijn situatie verwerken. Dat is bij hem de eerste fase. Weglopen en nadenken.
De tweede fase is vaak een vorm van boosheid. Niet boos op degene die wat heeft gezegd, maar boos op zichzelf omdat in de meeste gevallen de boodschap verkeerd begrepen wordt. Dat is frustrerend voor hem.

Als hij is afgekoeld komt hij in de meeste gevallen terug. Dan gaan we om de tafel zitten en leg ik uit wat er is gezegd. Vaak op verschillende manieren en controlerend of hij me nu wel begrijpt. Het is een mooi systeem, die voorkomt dat de situatie uit de hand gaat lopen.

Samen zijn we er blij mee. Zeg nou zelf wij begrijpen de wereld ook niet altijd.

woensdag 3 mei 2017

GEVULDE KOEKEN

Ze had een klein keukentje in de unit waar ze woonde. Meestal als we kwamen stond er een afwas. Om schone kopjes te hebben, voor de koffie, gingen we eerst afwassen. Een klein keukenblokje met
drie hangende keukenkastjes, waarvan er twee op slot zaten. Eén voor de medicatie en bij behorende middelen en één waar het snoep, chips en aanverwante artikelen in zaten.

Zelf had ze een koekjes trommel waar meestal een paar kleine koekjes inzaten voor bij de koffie.
Deze keer had haar begeleiding koeken gekocht met haar, bij de plaatselijke bakker. Verpakt in een papieren zak, lagen ze bij het koffiezetapparaat met een briefje erop, dat deze bedoeld waren voor het bezoek en dat wij haar er niet een mochten geven.

Leuk is dat, komt er bezoek. Worden er lekkere koeken gehaald en mag je er zelf niet een nemen. Daarom liep ze ook steeds te mopperen. Dat is niet te snappen en niet eerlijk. Ik gaf haar hierin wel gelijk. De reden waarom niet, was mij ook onbekend.

Maar we begonnen eerst met de afwas. Terwijl wij dat deden, pakte ze haar koekjestrommel. Ze haalde de kleine koekjes eruit. Pakte de zak met gevulde koeken en legde die op de bodem van het blik. Het waren er drie, telde ik, precies genoeg voor het bezoek.
Boven op deze koeken legde ze de kleine koekjes. Vervolgens deed ze de deksel op de trommel.

Na de afwas had ik koffie gezet en gingen we gezellig kaarten. Want daar kwamen we voor. Tijdens het spel schonk ik voor iedereen koffie in en ging weer zitten.

De koekjestrommel werd gepakt en ze haalde de deksel eraf. Netjes hield ze de trommel voor ons en zei dat we een koekje mochten pakken. Toen een van de bezoekers de kleine koekjes aan de kan wilde schuiven om een lekkere gevulde koek te kunnen pakken zei ze: "Nee, dat doen we niet, we beginnen eerst met de kleintjes."  Dus we pakten allemaal een klein koekje. De deksel ging er weer op en we gingen verder met kaarten.

Rond negen uur komt er een begeleider langs om de medicatie te geven. Hij vroeg of we al een koek hadden gehad. Waarop we braaf ja knikten. Nadat hij weer weg was kwam de verpakking van de bakker weer tevoorschijn. Ze opende het blik en deed de drie gevulde koeken weer in de zak.
Ze stond op en verstopte de zak achter haar kast. "Zo" zei ze "Dan heb ik nog wat lekkers voor als jullie straks weg zijn.".....................

zondag 30 april 2017

DE 17e VAN DE 17e VAN DE 17e

Op een dag kwam hij naar me toe. "Weet je wat voor dag het volgende week woensdag is? " vroeg hij. Ik begreep de vraag niet, Dus ik haalde mijn schouders op. "Geen idee."

"Op die dag kennen wij elkaar negen jaar." zegt hij trots.
Ik sla aan het rekenen en begrijp niet hoe hij aan die datum komt. De jaren kloppen niet en eerlijk gezegd begrijp ik de datum ook niet. Ik zou het niet meer precies kunnen zeggen op wat voor dag ik zijn wereldje inliep. De dag zelf wel, een bang wezentje die zich schuil hield achter de bank en waarvan ik alleen de oogjes kon zien, met kruin.

" Hoe weet jij dat zo precies? " vraag ik nieuwsgierig. " Dat weet ik heel zeker, het staat zwart op wit." zegt hij overtuigend. " Oké, zwart op wit." herhaal ik. Ondertussen probeer ik me te herinneren of ik ooit iets zwart op wit heb gezet, samen met hem. 

"Ik kan het bewijzen, hoor." zegt hij overtuigend " Zal ik het morgen meebrengen? " 
"Lijkt me een goed plan." zeg ik.

De volgende dag komt hij met een grote map aanzetten. Hij bladert door de tabbladen en slaat een document open.  Het is zijn contract met de WSW, destijds om bij ons te mogen "werken". Daaronder staat zijn handtekening en de mijne.
"Kijk zegt hij daar staat de datum 17 april 2000." Trots kijkt hij me aan. De tijd voor die datum telt voor hem niet mee. " Volgend jaar is het tien jaar " zegt hij "Gaan we dat samen vieren? "
"Prima idee." zegt ik. 
Het jaar erop is het voor hem groot feest. Sindsdien heb ik het ook maar in mijn agenda staan, want die datum is heel belangrijk voor hem. Elk jaar weer.

Dit jaar was het wel een unicum. Op 17 april in het jaar 2017 kennen wij elkaar dus 17 jaar. 
Het was tweede paasdag en hij appte dat hij een verrassing voor me had. Wanneer ik het wilde ontvangen. Mijn antwoord was : Kom maar brengen.
Ca 5 minuten later stond hij voor de deur. Hij had samen met de begeleiding een mooie kaart gemaakt, met foto's van ons samen. Op naar de twintig zei hij vrolijk.

donderdag 27 april 2017

ALLE LOF AAN OMA

Een blik vol begeleiding, die hadden we nodig toen onze jongste zorgvrager erbij kwam. Hij had één op één begeleiding nodig. Maar het is onverantwoord om direct een blik begeleiding open te trekken.

Als iemand het moeilijk heeft en de wereld niet altijd aankan, moet er met beleid gewerkt worden aan de uitbreiding van het team. Doordat hij erbij kwam, moesten ook de andere zorgvragers schakelen. In plaats van één begeleider op de groep, moesten het er minimaal twee worden. Een verdubbeling van het team. Dat is nog niet zo éénvoudig, als je de zorgvragers geleidelijk aan wil laten wennen.

Er kwam dus veel op ons neer. Wetende dat er steeds een begeleider bij zou komen, was het vol te houden. Om zeven uur zaten we op kantoor, om de administratieve werkzaamheden te doen, want zodra ze wakker waren, was daar geen tijd meer voor.

Ik heb net mijn computer opgestart, als de telefoon gaat. Na een onrustige nacht zit ik met slaap oogjes naar de telefoon te kijken. Ik zit even aan en hoop dat er niet nóg iets bijkomt, wat ik vandaag moet gaan oplossen.

Het is mijn moeder. Ik ben verbaasd dat ze zo vroeg belt. Ze weet dat ik rond dat tijdstip al aan het werk ben, en ze weet ook dat ik dan te bereiken ben. Ze wil gewoon even een praatje maken. Dat is fijn, want het is super dat ze meedenken en meeleven met onze groep.

Maar zoals mijn moeder vaak laat blijken, is ze reuze trots op ons, alleen zou zij dit werk niet kunnen doen. Zij gaf altijd toe dat het geduld die wij kunnen opbrengen, voor haar onmogelijk was. Ze was daar altijd heel open in. Dit werk , daar was ze niet voor geschapen.

Ze merkt aan mij, dat ik niet zo vrolijk ben. De vermoeidheid slaat toe. In de groep zijn spanningen omdat ze aan elkaar moeten wennen. En gisterenavond had een begeleider zich ziek gemeld voor de volgende ochtend. Ik zou vandaag dus alleen op de groep staan op de dagbesteding. Normaal draai ik mijn hand daar niet voor om, maar vandaag scheen het allemaal niet te lukken. En ik moest nog beginnen. Ze hoort mij aan, leeft mee en zegt ineens "We komen eraan!"

"We komen eraan." herhaal ik nog, maar zij heeft de verbinding al verbroken. Twee uur later staan mijn ouders voor de deur. Mijn vader heeft werkkleding aan om in de fabriek te helpen. En mijn moeder???

Ze zegt  "Laat mij maar bij de jongste zitten en doe jij de rest maar."
Ik sta verstelt. Ze kiest voor de moeilijkste, waar je het meeste geduld voor moet opbrengen. Ze gaat zitten en begint een praatje met hem. Ik kan mijn ogen gewoon niet geloven. Ze zit daar en blijft zitten en om vijf uur zit ze er nog. De jongen heeft samen met haar gegeten en samen hebben ze de grootste lol. Af en toe zie ik dat hij Oma, zoals iedereen haar noemt, over haar bolletje aait.
Ja werkelijk haar hoofd, waar nooit een haar van in de war mag zitten. En nu, het maakt haar niets uit. Ze knuffelt mee en heeft net als de zorgvrager een leuke dag gehad.

De wonderen zijn de wereld nog niet uit !.....


woensdag 19 april 2017

NAAR DE KAPPER DEEL 2

De deurbel gaat. Ik loop naar de voordeur en doe open. Onze zorgvrager wordt thuisgebracht na een paar daagjes bij familie op bezoek te zijn geweest. Hij komt binnen met een muts op zijn hoofd, die naar beneden is getrokken. Je kan nog net de ogen zien. Gebukt loopt hij naar de keuken. Ik help hem met de jas uittrekken en wil de muts van zijn hoofd trekken. "Die mag niet uit." zegt hij en trekt aan de muts, tot over zijn oren. Hij gromt en geeft aan dat hij anders voor joker staat. Ik heb geen idee waar hij het over heeft. Ik pak toch de muts en trek hem van zijn hoofd.

" Wat heb jij nou?" verschrikt kijk ik hem aan.
"Oh, je bedoeld zeker mijn haren?" en hij strijkt over zijn bolletje.

Ik zie een letterlijk verknipt kapsel. De hakken zitten er in, op sommige plekken is het bijna kaal. Het is net een vogelverschrikker. Hij gromt en steekt zijn middelvingers in de lucht. Hij is boos.

Ik duw hem zachtjes in een stoel en ga er naast zitten. Pak rustig zijn handen, zodat hij zichzelf niet kan slaan. " Ik ben bij de kapper geweest." zegt hij en kijkt me boos aan.
"Oké de kapper....." herhaal ik.  Ik bestudeer zijn kapsel en kan me niet voorstellen dat een kapper hem zo de deur heeft laten uitgaan. Ik wacht even af en laat hem bij komen.

" Ik kan zo toch niet over straat? zegt hij "Je denkt toch niet dat ik nog naar de dagbesteding ga....."
Hij geeft hiermee aan dat hij een probleem heeft, maar geen oplossing. Daar kunnen we iets mee, want wij zijn ervoor om de oplossingen te bedenken.

Ik ga voor hem staan en bekijk serieus zijn kapsel. " We kunnen de tondeuse pakken en die op een paar millimeters zetten, dan is het probleem opgelost en heb je geen hakken er meer inzitten.
" Ja, leuk is dat, dan heb ik het vreselijk koud en dat ziet er ook niet uit." zegt hij verdrietig.

"Wat heb je dan gedaan?" vraag ik nieuwsgierig. Hij begint te lachen. Hij heeft de kapper een streek geleverd. Hij verteld trots dat hij zijn hoofd steeds heeft bewogen. De kapper wilde hem niet laten gaan, en knipte steeds door. Gevolg een verknipt kapsel.  Hij moet er om lachen alsof het een grapje is.  Vervolgens wordt hij weer boos, want nu zit hij met de gebakken peren.

We hadden in de afgelopen weken diverse pogingen gedaan om hem naar een kapper te krijgen. Want zijn haar werd wel erg lang. Maar hij weigerde steeds, ook wilde hij niet door mij geknipt worden. Dus waren wij gestopt met de pogingen. Daar was nu verandering in gekomen, want hij was dus schijnbaar naar een kapper geweest en dat was niet helemaal goed verlopen. Ik stel nogmaals de tondeuse voor. Maar nee dat wilde hij niet, want ik was geen kapper.

Met de muts op ging hij slapen, stond hij op en ging naar de dagbesteding. Ik stelde voor dat we hier bij ons in het dorp naar de kapper konden gaan. Inmiddels had hij daar wel oren naar, want die muts was erg warm. Dus we stappen in de auto en rijden richting het dorp. 

We staan op een kruising te wachten. "He zeg, Alida" "Ja, wat is er?" "Kan jij ook knippen?" hij kijkt me vragend aan. "Ja hoor, kijk maar naar je medebewoner die heb ik ook geknipt."

..............................................

"Oké dan, rijd maar naar huis, dan mag jij nú mijn haren knippen in de keuken met niemand erbij"
Verheugd verander ik van richting en rijd naar zijn huis. Hij geeft mij het vertrouwen.
Missie geslaagd !!!!!!!!!!!!!

donderdag 6 april 2017

NAAR DE KAPPER

Om er fris en fruitig uit te zien, gaan mensen met een regelmaat naar de kapper. Dat is mooi, als je je dat kan permitteren. Onze zorgvragers hebben niet zoveel te besteden. Maar wel de wens om er netjes uit te zien.

Aangezien ik thuis de haren knip, had ik het idee opgepakt om hen ook te knippen. Je moet het durven en kunnen. Durven was niet het probleem, maar kunnen?? Ik had zelf geen idee. Ik heb een vaste hand en vaak gekeken hoe kappers het doen en zeg nou eerlijk, het zijn geen ingewikkelde kapsel. Ik trok de stoute schoenen aan en deed het voorstel dat ik zou knippen. Waarbij geldbesparing voor hen natuurlijk als motivatie werd gebruikt.

Geld in de pocket houden, dat beviel ze wel. Toch kon je merken dat haren knippen te maken heeft met vertrouwen (kan ze het wel),  angst (zie ik er straks verknipt uit), maar vooral dat haren een onderdeel van jouw lijf is. Je raakt iemand aan als je de haren knipt. Dat is eng.

Ik gaf aan, dat als het mislukte ik de kapper zou betalen om het te herstellen. Ook daar moest over nagedacht worden. De eerste die over de brug kwam was onze vrouwelijke zorgdrager. Zij liet toe dat ik mocht knippen. Het was de moeilijkste, want zij had een geknipt modelletje met permanent.

Dus ik kocht een kam, kappersschaar, tondeuse en een speciaal gevormde omslagdoek waar de haren in worden opgevangen. Ik ging aan de slag en het eindresultaat was goed gelukt, al zeg ik het zelf. Door haar goed te knippen en te verzorgen in de loop der jaren, kwamen we er achter dat ze helemaal geen permanent nodig had. Ze heeft hele mooie krullen van zichzelf. Ik zou zo willen ruilen.

Zijzelf was zeer tevreden en grapte naar de anderen dat zij nu geld had bespaart. Dat het niet zo vanzelfsprekend is dat bleek wel bij de anderen. Die moesten er nog een nachtje over slapen. Maar daar vertel ik de volgende keer over.....................

zondag 26 maart 2017

OP TRANSPORT DEEL 3

We rijden naar de volgende klant. Het is weer een dagje rijden. Diverse klanten zitten op hun spullen te wachten. Deze keer hoef ik niet met de kraan te lossen. Overal waar we komen is een kraan aanwezig.

Dat zijn hele andere kranen, dan die op onze wagen zit. Dat zijn van die kranen, waar ik al buikpijn krijg als ik maar denk dat ik daarin zou moeten zitten. Hoog in de kraan is de cabine. Ik moet er niet aan denken.

Voor onze zorgvragers is het leuk. Want die kraan staat in een andere straat. Hij kan zomaar bij ons op de wagen met een lus de delen pakken. En dan zie je zo het pakje kleiner worden. Hij tilt het over de daken heen, om het weer in een andere straat het naar beneden te laten gaan. Het is zo groot....

Met de vorige rit nog in mijn achterhoofd, besluit ik deze keer de sleutels er maar uit te halen. Ik moet er niet aan denken als hij zomaar weg zou rijden. Onze kraan hebben we niet nodig, dus is het geen probleem.

Onze zorgvrager wil niets liever dan binnen blijven. Want zo geweldig is het weer niet. Via het raam aan de achterkant houdt hij mij in de gaten. Ik help mee om de platen op zijn plek te krijgen en vervolgens loop ik naar de opzichter om een handtekening te krijgen voor de levering.

Ik loop weer langzaam naar onze wagen. Dan hoor ik ineens dat de motor gestart wordt. Ik kijk in mijn hand. Ik heb toch werkelijk de autosleutels in mijn hand. Hoe kan het nou dat de motor draait.

Ik loop naar de deur en doe die open. Hele vrolijke ogen kijken me dan aan. "Goed hé?" zegt hij. Ik ben verbaast en vraag wat hij heeft gedaan, terwijl ik snel achter het stuur kruip.
"Weet je niet hoe dat gaat?" vraagt hij.
"Hoe kan jij nou de auto starten, zonder sleutel?" vraag ik.

"O, dat leer je van Bassie en Adriaan, die doen dat ook in de film ! " .........."En het werkt"..........



woensdag 22 maart 2017

OP TRANSPORT DEEL 2

We rijden weer, onderweg naar een klant. Het zijn bouwelementen bestemd voor een wijk in de buurt van Nijmegen, in Lent. Het staat op de wagen en moet gelost worden met onze kraan. Die bevindt zich achter op de bak.

Onze zorgvrager heeft er zin in. Het is leuk om onderweg spelletjes te doen. Zo kan hij aan de achterlampen van een auto zien om welk merk het gaat. Van een flinke afstand roept hij de merken, hoeveel pk ze hebben en zo nog enkele details. Ik sta er versteld van. Want ik kan het pas zien als we dichterbij zijn en het merk zie, of het teken.

Hij is er trots op. Want iedere keer als we dan de auto inhalen, wil hij gelijk krijgen en geef ik een complimentje. Dat stimuleert weer voor de volgende auto die we naderen.

We komen op de bouw. Het is er zanderig, want de bestrating ligt er nog niet. Het zijn halve huizen, waar de daken nog op moeten. Wij hebben onderdelen van die daken, bij ons. Hiermee kunnen ze de goten maken. Klaar op maat en van verf voorzien. Dat kunnen we allemaal maken in onze fabriek, waar de dagbesteding is gevestigd.

Ik verlaat de cabine, verzoek de zorgvrager te blijven zitten en zoek naar de aannemer. Het is nogal modderig, want het heeft onlangs geregend. Er wordt een plek aangewezen waar ik de platen neer mag zetten.

Hiervoor heb ik de kraan nodig, om die te kunnen gebruiken moet de motor blijven draaien. Ik laat de stempels zakken op de grond, voor de stevigheid. Het kraantje gaat uit en ik breng de haak aan de lus van de banden. Langzaam hijs ik het omhoog. Dan draai ik de kraan en laat de platen zakken tot ze de grond bereiken. Klaar. Ik laat de kraan terugschuiven en haal de stempels weer omhoog.

Ik loop naar de voorkant van de vrachtwagen en merk dan pas dat onze zorgvrager de deuren van binnen  op slot heeft gedaan. Hij zit gekke koppen te trekken. Met de vinger op de neus en de tong die plagend uitgestoken wordt. Hij heeft de grootste lol.

Maar de motor loopt. Ik hoop maar dat hij niet gaat rijden. Want hij kan zo gemakkelijk achter het stuur kruipen. Voor ons is gelukkig nog een stuk waar alleen de weg moet komen. Maar je weet nooit. Hij is nog niet van plan om me er in te laten.

Ik loop naar achteren en ga in de zon zitten en stroop mijn mouwen op, alsof ik ga zonnen. Zo blijf ik enkele minuten zitten, zonder hem aandacht te geven. In mijn ooghoek zie ik dat hij nog steeds gekke koppen trekt. Maar doordat hij geen aandacht krijgt, stopt hij ermee.

Na enkele minuten komt hij uit de cabine en loopt naar me toe. "Wat ben jij aan het doen?" vraagt hij. "Zie je dat niet? Ik ben aan het zonnen. Dat gaat nog even duren hoor, dus kom er naast zitten of ga weer in de cabine zitten." Je ziet hem twijfelen "Wanneer gaan we weer rijden?" vraagt hij. "Zodra ik achter het stuur kan gaan zitten."

Hij loopt naar de cabine, gaat weer zitten en ik hoor dat de knopjes van het slot weer omhoog worden gedaan. Hij kijkt in de achterruit of ik er al aan kom. Langzaam kom ik omhoog, loop naar de deur en doe de deur open. Hij zit me vragend aan te kijken. "Zullen we maar gaan?" vraag ik.

"Ja graag." is het antwoord. Oké, de volgende keer moet ik hier iets op verzinnen.............

zondag 19 maart 2017

OP TRANSPORT DEEL 1

We zijn onderweg. Met de kleine vrachtwagen. Om materiaal te brengen naar een klant. Om de beurt mogen de zorgvragers mee. Dat is net een uitje. Door Nederland heen crossen en van alles zien, onderweg. Dat vinden ze allemaal leuk om te doen.

Maar vandaag heeft onze zorgvrager niet zoveel zin. Het was wel beter om mee te gaan dan op de dagbesteding te zitten, was zijn conclusie. Maar veel zin heeft hij niet. Als we aankomen bij de klant, vraag ik hem om in de cabine te blijven zitten.

Ik zoek iemand die kan lossen en begin de sjorbanden los te maken. Er wordt met de heftruck gelost en ik kan beginnen met opruimen. Ik pak de eerste sjorband en begin die netjes op te rollen. Voor ik de tweede wil oprollen is onze zorgvrager uit de cabine gekomen en is op de band gaan staan.

Ik verzoek hem vriendelijk even opzij te gaan, zodat ik het kan oprollen. Maar in plaats daarvan krijg ik boze gezichten en een paar middelvingers. Wat ik ook trek ik krijg de band niet onder zijn voeten vandaan. Inmiddels voel ik de ogen van de werklieden op mijn rug branden. Onze zorgvrager wijkt geen millimeter.

Wie niet sterk is moet slim zijn, zeg ik altijd. Dus ik loop op hem af en probeer nogmaals of hij van de band af wil stappen. Terwijl hij zijn middelvingers weer opsteekt geef ik hem een duw. Hij verliest zijn evenwicht en verstapt daardoor. Ik trek snel de band naar me toe. Gelukkig ik kan verder met het oprollen.

Ondertussen houd ik hem in de gaten. Want dit kan een escalatie worden. Maar ik denk dat de dwingende ogen van de medewerkers daar een stokje voor steken. Hij kijkt de hal in en begint te lachen. ze zwaaien naar hem en hij zwaait terug. Gelukkig haal ik adem. Hij stapt de cabine weer in en heeft de grootste lol. Op naar de volgende klant......

woensdag 15 maart 2017

ISOLEERCEL

Het is begin januari 2011. We staan met een paar mensen voor het raam. Vandaag komt iemand kijken. Iemand die misschien bij ons komt wonen. We willen graag uitbreiden van 5 zorgvragers naar 6 zorgvragers.

Bij toeval was er iemand die ons kent en wist dat er een plek werd gezocht voor een zeer moeilijke zorgvrager. Na het lezen van enkele dossiers hadden we hem uitgenodigd om kennis te komen maken. Daar komen ze aan en parkeren op onze parkeerplaats.

We zijn nieuwsgierig en kijken terwijl ze naar de deur lopen. Ik open de deur en geeft zijn verzorgers een hand. Ik steek mijn hand uit naar de jongen van 16 jaar. "O dat hoef je niet te doen hoor" geeft de begeleider aan , want hij geeft nooit een hand. Maar mijn hand was al onderweg en tot ieders verbazing gaf hij mij netjes een hand en noemde zijn naam.

"Welkom bij de Pioenroos" zeg ik vriendelijk. Blij dat de eerste drempel meeviel. De afspraak was dat ze in onze kantine eerst koffie zouden drinken, om aan het gebouw te wennen en pas daarna kennis zou maken met de groep.

Ik kniel naast hem, terwijl ze op de stoel zitten en vraag of hij koffie lust. Hij heeft bruine ogen en ze kijken me vriendelijk aan. Hij slaat een arm om me heen en geeft aan hoe hij de koffie lust. Terwijl zij aan het wennen zijn, probeer ik in de groep alvast aan te geven dat hij zo erbij komt zitten.

Het verloopt vriendelijk. Na de lunch bezoekt hij het toilet. Een tijdrovende bezigheid. Uiteindelijk staat hij zijn handen te wassen in de kantine. Het gesprek komt op de keuze of hij bij ons zou willen wonen. " Mag ik jou iets vragen?" zegt hij. "Tuurlijk."
"Heb jij hier ook een isoleercel? "'
"Nee die hebben wij niet." "Oké dan" zegt hij, "dan wil ik wel bij jou komen wonen."

Aan het einde van de dag nemen we afscheid. De begeleiders staan al buiten en hij staat in de hal en kijkt me aan.  Afscheid nemen is moeilijk.  "Wij geven altijd een knuffel als we weg gaan. " geef ik als hint. Meteen sluit hij me in zijn armen. De begeleiders staan met open mond toe te kijken. Uitzonderlijk wat er gebeurt.

Hij kijkt ze aan , terwijl zijn arm op mijn schouders rusten : "Weet je" roept hij naar hen. "Als ik hier kom wonen, moet ik een nieuw bed hebben. Kunnen jullie dan meteen een tweepersoonsbed kopen? Dan kan Alida 's nachts bij mij komen slapen, en als ik dan een epilepsieaanval krijg is ze heel dicht bij. Dan kan er niets mis gaan." ..................

woensdag 8 maart 2017

MUZIEK HELPT OVERLEVEN

Wie kent het niet? Het liedje van Guus Meeuwis. Proosten. Een positief liedje. Geniet van elk moment van het leven. Muziek helpt overleven.

Daar geloof ik heilig in. Ik zou niet zonder muziek kunnen. Nu kom ik uit een muzikaal gezin. Mijn opa had zelfs van drie orgels één gemaakt. Daar waren zoveel toetsen dat je de draad kwijt raakte.
Ook had hij een piano. Mijn oom die een paar jaar ouder is, leerde me al snel de vlooienmars. Wat werd opa dan boos. Want de vlooienmars was volgens hem geen muziek.

Toch is het de vlooienmars die ons met bijzondere mensen kan binden. Want vele zijn best muzikaal. Muziek voel je van binnen. Muziek is leven. Kijk maar naar de Josti band. Zij hebben hun eigen manier gevonden om muziek op te schrijven.

Bij ons thuis staat ook een piano. De meesten die op bezoek komen kunnen het niet laten om er even op te spelen. Hoe mooi is het dan dat je iemand de vlooienmars kan leren. Uit ervaring blijkt dat dit makkelijk te doen is. Hoe trots zijn ze als ze dit ten gehore kunnen brengen. Want het is echt een melodie.

Ook in tijden van verdriet zie je dat ze troost vinden bij muziek. Er zijn heel veel liedjes die dat als thema hebben. Dan breken er tijden aan dat muziek echt helpt overleven. Het woord overleven zegt het al, daar zit de boodschap in dat je uiteindelijk weer bij leven terechtkomt.

Maar muziek kan ook op de creativiteit werken. Want hoe mooi is het als je zelf een gitaar kan maken. Met behulp van een muzikale begeleider heeft hij de gitaar gemaakt. Alles zelf gezaagd en geschuurd. En weet je???????????
Hij doet het ook nog. Hoe mooi is dat???????????................

woensdag 21 december 2016

KAARTLEZEN, GEEN PROBLEEM TOCH???


Ze waren opgeroepen bij het UWV.  Die wilde hen aan het werk hebben en deden verwoede pogingen om dat te bewerkstelligen. Ze hadden de wind eronder en gaven aan dat ze anders geen geld meer kregen.

Wat doe je dan? Als bijzondere mensen, die zich moeten gedragen als jan met de pet. Wonende met z'n drieen. Aan de goden overgeleverd. Want de gemeente had ze, samen met de hulpverlening, ook al in de steek gelaten.

Alle drie leefden ze van een Wajong uitkering. Samen in één woning, waar twee uitkeringen hun zakgeld was, immers ze hadden genoeg aan één uitkering om de woonlasten te betalen. Hoe rijk ben je dan? Dat hadden ze te danken aan de gemeente, die hen elk op een andere plek wilden plaatsen. Dan heb je inderdaad elk een uitkering nodig.  Maar de hulpverlening had hen in de steek gelaten en daarom hadden ze het heel goed samen, financieel wel te spreken.

Maar daar zou een eind aan komen als ze niet aan het werk gingen, zei het UWV. Alleen ze vallen door de ondergrens heen en zouden ze naar de dagbesteding moeten. Daar wilde het UWV nog niet aan.  En zij kregen angst.

In de brief stond dat ze verwacht werden om elf uur in de ochtend. Prima geen probleem. Met de bus is dat haalbaar. Maar wanneer gaat die bus dan? Dat hadden ze uitgezocht en met de strippenkaarten op zak konden ze vertrekken. Maar ja, hoe lang doe je daar over?  Waar moet je uitstappen, en hoeveel tijd heb je dan nodig om naar je bestemming te lopen?? Dat waren toch wel moeilijke vragen.

Maar plichtsgetrouw wilden ze natuurlijk niet te laat komen, dus besloten ze maar om de eerste bus te nemen die hen naar de plaats zouden brengen. Vertrektijd 04.05 uur vanaf het kruispunt. Oké dan maar vroeg opstaan.

Binnen een half uur bereik je de stad. Maar ja, waar stap je dan uit?? De eerste de beste halte stapten ze uit. En nu???
Daar hadden ze aan gedacht en de plattegrond werd uit de rugzak gehaald.

Wat is die stad toch groot. En waar bevindt jij je op die kaart??? Volgende probleem.  Na een tijdje te hebben gepuzzeld, liepen ze volgens de kaart. Steeds kijkend of ze er al waren.
Ze waren net op tijd, maar wel doodop van het lopen. Daar waar ze eigenlijk binnen een half uurtje er zouden moeten kunnen zijn, waren ze veel langer onderweg.

Veel later vroeg ik hen , hoe ze zich hadden gered. Vol trots lieten ze me de plattegrond zien.  Ze wezen aan waar het UWV zat. Vervolgens lieten ze me zien hoe ze hadden gelopen. Met de kaart op de kop hebben ze geprobeerd het te vinden. Maar ze liepen dus steeds de andere kant op. Uiteindelijk hebben ze aan een voorbijganger gevraagd waar ze naar toe moesten lopen. Dus ze waren op tijd!

Binnen zeven uur, wel te verstaan..................